« mei 2009 | Hoofdmenu | juli 2009 »

uitgeblazen

1_3
De grote zaal van het Concertgebouw is geheel uitverkocht. Straks om half negen zal het spektakel plaatsvinden: een uniek optreden van het beroemde Duitse hout- en koperblazersensemble 'Horntoll' met als Nederlandse gastdirigent Bas Bazuin.
Bazuins laatste concert was in Berlijn geweest. Hij vertelt me in de koffiekamer over de afgang van de steeds uit de toon vallende piccolo die beter vast had kunnen blijven zitten tussen de liftdeur. En dan die drie mobieltjes die tijdens de uitvoering afgingen. Nota bene van de orkestleden zelf. Het was een fiasco geweest. Later bleek dat het hele ensemble hem een warm hart had toegedragen. Vanavond zou hij het publiek eens even een poepie laten ruiken.
Buiten de traditionele hobo, fagot, tuba, fluit, hoorn en de nu goed geoefende piccolo, zijn er wat oudere blaasinstrumenten bij: de schalmei, een soort herdersfluit, legt Bazuin uit en de kornet, een kromme hoorn. Als slotsolo de horlepijp met als klap op de vuurpijl de bekende horlepiepdanseres Klarina.
Bazuins ogen gaan glimmen als hij haar naam uitspreekt en hij laat zijn cadeautje zien dat hij speciaal voor Klarina heeft gekocht, een prachtige robijnrode zijden sjaal. Je kan maar nooit weten. De laatste keer in Berlijn waren hem haar bekoring, verlokking en uitnodiging niet ontgaan. Hij was er niet op ingegaan. Vanavond zou hij zich willen overgeven aan haar charmes. Rechtstreeks loopt Bazuin naar de orkestruimte.
Hoe kan het nou dat hij nog niemand van zijn blazers is tegengekomen, vraagt hij zich af. Waar zitten ze toch?
Hij loopt langs de directiekamer en hoort nog net het achtuurjournaal: Heden middag is het vliegtuig uit Berlijn met bestemming Amsterdam neergestort. De kans op overlevenden is gering. De inzittenden, het blazersensemble Horntoll…
Verdwaasd loopt Bas Bazuin weg. Klarina, mompelt hij met een brok in zijn keel.
es van essen

nietszeggende politie

door Ronald Offerman

In het kader van het onderzoek kunnen we hier nog niets over zeggen. Wat u nu vraagt dat is daderinformatie, daar mogen we niets over zeggen. De zaak is onder de rechter dus wij kunnen er niets over zeggen. Het is een zaak van de politiek, wij als politie kunnen daar niets over zeggen. Wat is er aan de hand met de politie dat ze tegenwoordig nergens meer iets over kunnen zeggen. Bij ongelukken, moorden, overvallen en allerhande andere soorten misdaden houden ze op alle mogelijke manieren hun mond dicht over de aard van de misdaad. Ik vind al die niets zeggendheid vaak nogal verontrustend en meer onrust veroorzaken dan de politie zou moeten doen. Van de week was er bij mij in de straat een hele legermacht van de politie. De straat stond vol met een stuk of zes politiewagens en er waren ook nog enkele auto's van de forensische dienst. Ze stonden daar enkele uren. Dus er was duidelijk iets heel ergs aan de hand. Wat is er dan aan de hand, vroegen wij ons als buurtbewoners af. De enkeling die het aan een agent vroeg kreeg steevast hetzelfde antwoord dat zij er niets over mochten zeggen. Ik snap dat er veel gevallen zijn waarin de politie beter niets kan vertellen. Als er een dode of zo is gevonden, begrijp ik dat de politie niet van alles kan gaan roepen, voordat de familie op de hoogte is gebracht. Er zijn toch zat zaken waarover ze in ieder geval iets kunnen zeggen al is het alleen maar om de onrust in de buurt weg te nemen want van dat geval bij ons in de straat weten we nu nog niets. Zelfs bij een programma als Opsporing Verzocht, zitten er om de haverklap politieagenten die hun mond houden op vragen van de interviewer. Want dat mogen ze niet. Wat doe je in dat programma vraag ik me dan af. Het lijkt alsof ze tegenwoordig pas wat zeggen als de hele zaak in kannen en kruiken is. Zodat ze elk risico om een fout te maken uitsluiten. Waarom mijn straat de hele avond afgesloten is geweest, het is mij een raadsel en dat vind ik niet prettig. Ik hoop het nog een keer te horen als de zaak helemaal opgelost is. Als ze dan wat mogen zeggen tenminste.

dj

door Ronald Offerman

Een tijd geleden heb ik al mijn platen, plusminus 350, weggegeven. Aan mijn zoon weliswaar dus aan een goed doel zullen we maar zeggen. Hij wilde ze graag hebben en had er wel interesse in. Ik had er al tien jaar niet naar omgekeken en al die tijd stonden de elpee's onaangeroerd en opgeborgen in een kast. Het vreemde feit doet zich voor dat sinds ik ze niet meer heb, ik het nu mis omdat ze er niet meer zijn. Raar. Een paar weken geleden werd mij gevraagd of ik een uurtje DJ wilde zijn op de eerste editie van La Nuit Blanc. Natuurlijk wilde ik dat. ik kon wel een leuk lijstje in elkaar draaien en al de muziek die ik op mijn verdwenen elpee's had, schoot door mijn hoofd. Na enig downloaden en rippen van mijn eigen CD's kwam ik tot de volgende lijst.

Is there anybody out there - pink floyd

Seven nation army - the white stripes

Losing my religion - r.e.m

Iwanna be sedated - ramones

Vicous - lou reed

Californication - red hot chilli peppers

Always on the run - lenny kravitz

Psycho killer - talking heads

Street life - roxy music

Rebel rebel - bowie

Candy - iggy pop

London calling - the clash

Red house - jimi hendrix

Sympathie for the devil - rolling stones.

Ik ben er zelf aardig tevreden over. Op de avond werd ik gekoppeld aan een echte DJ, Woes van Haaften en we waren samen de openingsact van de avond. Leuk, alleen wist het publiek niet dat wij al begonnen waren. Als er tien man binnen zijn geweest, terwijl wij draaiden in het oude kadaster gebouw tegenover het centraal station, dan was het veel. Maar voor mij mocht het de pret niet drukken. Ik hoorde weer eens op een aardig volume muziek waar ik al jaren gek op was. En bovendien denk ik dat ik weer eens in onderhandeling moet met mijn zoon. Misschien is er nog een kans dat hij ze weer terug geeft. Maar daar zou ik dan diep voor in de buidel moeten tasten, ben ik bang. Dan maar downloaden ook al moet je daar ook mee uitkijken met die rare Amerikaanse boetes.

lokroep naast de stinkkrul

StinkkrulTegenover het hoofdbureau van politie stond een van mijn favoriete haringstallen. Helaas moest deze verdwijnen. Ik mag mezelf wel een expert op haringgebied noemen gezien mijn frequente inname. Een grootgebruiker noemen ze dat. Alle haringstallen van Amsterdam en omstreken zijn mij bekend en zo langzamerhand kan ik reuze goed het kaf van het koren onderscheiden. Een belangrijk aspect van een goede haring is de wijze van fileren en wat daaraan vooraf gaat: schone handen. Niets kan me zo ergeren wanneer de haringman/vrouw net uitgebreid zijn/haar geld heeft zitten tellen en dan met die centenhanden aan mijn haring komt. De lust vergaat me gewoonweg. Volgens mij heeft dat niets met smetvrees te maken maar met hygiëne. Daarom is het bij de door mij bezochte haringstallen bekend, eerst handen onder de kraan en dan pas met je tengels aan mijn haring.
Destijds noteerde ik het volgende:

Vanmorgen was het weer zover. Gisteravond een leuk feestje gehad en een knots van een kater. De lokroep van de haringstal klinkt me al van verre in de oren. Strompelend ga ik richting hoofdbureau van politie. Uit de Kinkerstraat komend, steek ik het zebrapad over van de Nassaukade. Ik heb sterke tegenwind en de walgelijk penetrante geur van de pisbak op de kop van de Elandsgracht waait me al tegemoet. Ik zwenk wat naar links om de stank enigszins te ontwijken en met mijn neus tussen duim en wijsvinger schuif ik linksom langs die stinkkrul. Daar staat net een man op de rand van de pisbak met zijn wormvormig aanhangsel te spelen. Ik heb vanwege m'n warrige kop niet zo gauw in de gaten dat ik met een gewone potloodventer te maken heb. In vol ornaat showt hij mij zijn inmiddels gestegen lid.
-Ga je lekker krullenkop, roep ik hem toe en loop door naar de dertig meter verder staande haringstal.
-Een aan de staart graag, zeg ik tegen Yvonne.
Vijf minuten later staat meneer de potloodventer naast me voor een harinkie.
Ben blij dat ik m'n haring net op heb en ook dat het oostenwind is.
es van essen

eerie

geschreven door Wolf

Achter het paadje naar het bos is het na zonsondergang aardedonker. Breed staan de beuken en eiken daar tegen de nachtelijke hemel, in hun donkere loof de talloze kraaien en kauwen, onder hun ongenaakbare stammen kolonies konijnen die aan hun eigen Waterschapsheuvel onder de snelweg werken.
Daarnaast ligt het veld.
Helaas is het maar gewoon een sportveld. Strak gemaaid, verse witte lijnen, een gloednieuw hek.
Maar in het donker kan het elk veld zijn.
In het donker wordt het veld onontgonnen terrein.
Vanaf dat veld klinkt soms ’s nachts een ijselijk geluid.
Ik kan het alleen maar benoemen met: “eerie”.
Eeeerie.
“Angstaanjagend, griezelig” zegt het woordenboek. Maar dat is niet genoeg. In eerie zit ook nog klam, kil, koud, huiverig, bevreemdend, verlokkend, akelig, naargeestig, spookachtig, naar.
Bij nachten met weinig wind klinkt het geluid alsof de oude goden hun wapens slijpen boven een veld van geronnen bloed.
Maar als de wind sterk is en rukt aan de takken met slapende vogels, klinkt het alsof Dante’s inferno de poorten wijd heeft opengegooid en alle demonen uit de hel een luchtuurtje uitleven. Dan dansen de duivels, krijsen tandeloze heksen, brullen de draken en wenen de rusteloze doden. Dan gaat geen sterveling het paadje in of hij moet een titanische opdracht te vervullen hebben.
Als de wind mild is en het veld vlam vat door de vonken van de geslepen wapens, zit de berm plots vol kobolden en ander elvengespuis, is elke kat een monster en draaien gehangenen zachtjes aan hun boom.
Als de wind sterk is en het veld eerie, kent het helse pandemonium geen beperkingen.  <!--[endif]-->

Bij dag en volle zon is het veld gewoon een sportveld met vlaggenmasten en vlaggentouwen die bewegen in de wind.
Bij nacht kan het veld elk veld zijn.

Dawolf

boekenmaniak

Img_1633

Van tijd tot tijd ben ik een periodiek maniakale boekenwurm. Als ik het -weer- op m'n heupen krijg, verslind ik literatuur. Alle recensies worden afgewerkt, selecteer boeken naar mijn smaak en ga vervolgens met mijn lijstje naar de bibliotheek waar ikzelf een kritisch oog laat vallen op de inhoud om uiteindelijk een keuze te maken. Een bezoek aan de bibliotheek kost mij enkele kostbare uren. Het is niet sporadisch dat ik met tien boeken thuis kom. Dit kan maanden duren tot de verwoede leesdrift overdrijft en er weken lang geen boek meer wordt aangeraakt. Ik heb me zelfs weleens afgevraagd of dit pathologisch is.
Boeken kopen doe ik allang niet meer omdat inmiddels mijn boekenkast uitpuilt. Ik kan zeer goed 'snellezen'. Bij een oninteressante passage of een oeverloze uitweiding snel ik door de regels heen. De draad van het verhaal raak ik zelden of nooit kwijt omdat ik alles registreer. Daartegenover, als ik getroffen wordt, kan ik ademloos letter voor letter tot mij nemen.
Ik heb een zeer onhebbelijke gewoonte, althans dat is mij 'aangepraat' door mijn omgeving. Menig huisgenoot heeft mij 'betrapt'. Men heeft mij zelfs een literaire barbaar genoemd. Als ik aan een nieuw boek begin en na enige pagina's goed in het verhaal zit, wil ik onmiddellijk weten hoe het afloopt. Ik sla dan het achterste hoofdstuk of de laatste bladzijden op om de clou of het plot te lezen. 
Dit onderwerp heb ik onlangs besproken in mijn kennissenkring. Ik was toch reuze nieuwsgierig of anderen dat herkennen. De koppen knikten allen ontkennend. Natuurlijk wilde iedereen z'n zegje hierover doen:
... Es, ik ben geshockeerd - volgens mij heb je geen geduld om je mee te laten voeren - je zoekt veiligheid en wil alles onder controle houden - je bent nieuwsgierig - weerzinwekkend, omdat je de spanning eruit snijdt - tegen alle leesregels in - dit ruikt naar instantbevrediging - bij de konijnen af - je bent geen boek waardig ...
Ik ging in zelfbeschouwing, nam het -goedbedoelde- rijtje kritiek nog eens door en kwam tot de volgende conclusie: Als het begin van een boek bij mij aanslaat, wil ik het nauwkeurig lezen. De spanning van een ooit naderend einde wordt mij te machtig waardoor de kans groot is dat ik het inhoudelijk ga afraffelen. Dat vind ik zonde van het boek. Als ik in den beginne alvast de clou weet, heb ik rust en kan ik uiterst voldaan en op mijn gemak vanaf het begin tot het einde doorlezen. Het allerbelangrijkste is dat ik er zelf vrede mee heb. Met een film is dat hetzelfde. Ik hoor graag van tevoren waar het over gaat en hoe het afloopt, liefst tot in de details. Dan ga ik het zelf bekijken.
Ik hou niet van verrassingen. Een onaangekondigd gezelschap mensen voor mijn huisdeur is de grootste nachtmerrie. Een surpriseparty kan me gestolen worden en van een onverwachts verrassingsreisje ga ik over m'n nek.
In het verlengde hiervan maar dan wat anders komen we op het volgende. Anderen vertellen mij dat ze bij een maaltijd het lekkerste voor het laatst bewaren. Ook dit werkt bij mij tegengesteld. Ik eet allereerst mijn lekkerste hapje op (stel dat de bom valt!)
Even terug naar de boeken. Afgelopen week heb ik een uitermate fascinerend boek gelezen: 'de Schopenhauerkuur'. Een mix van literatuur, psychobiografie, filosofie en psychotherapeutische pedagogiek. Het is van de auteur Irvin Yalom. Onder andere schrijver van: 'Nietzsches tranen' en 'de therapeut'.

Auteur_irvin_yalom

Korte inhoud overgenomen van de cover:

Op de dag dat psychiater Julius Hertzfeld te horen krijgt dat hem waarschijnlijk nog maar één jaar rest, begint hij met een onderzoek naar de betekenis van zijn leven. Hij zoekt daartoe na meer dan twintig jaar contact met Philip, een aantrekkelijke, arrogante, contactgestoorde, seksverslaafde man, die drie jaar bij hem in therapie zat, zonder enig resultaat. Philip blijkt tot Julius grote verbazing intussen gepromoveerd te zijn in de filosofie en een opleiding te volgen tot therapeut. Julius biedt zich aan als zijn supervisor, onder voorwaarde dat Philip aan zijn therapiegroep zal deelnemen. Al snel blijkt een van de andere leden van de groep een traumatische ervaring met Philip te hebben gehad. Zij is hier nooit overheen gekomen. Terwijl de groepsleden proberen om te gaan met deze ontvlambare situatie en Julius einde schrikbarend dichtbij komt, stijgt het niveau van de therapie tot ongekende hoogte, met buitengewone veranderingen bij elk groepslid als gevolg.

Ik beoordeel boeken met een cijfer. Nooit deel ik een tien uit, maar dit boek kreeg van mij een negeneneenhalf. Weergaloos mooie roman. Een aanrader!

es van essen

afgedankt

Img_2007
Als hij voor de zoveelste keer vanachter zijn krant om koffie blaft zonder haar zelfs maar aan te kijken, knapt er iets in haar. Weet hij eigenlijk nog wel wie ze is? Een uitgelezen boek, heeft hij haar onlangs nog toegeschreeuwd, tijdens een flinke ruzie. Een andere keer met vreselijke mot heeft hij haar een paar afgedragen schoenen met een uitgezakt lijf en een ouwe rotkop genoemd. Je denkt toch niet dat jij nog het aankijken waard bent, hè, had hij naar haar gesneerd met dat eeuwige uitgestreken smoelwerk van hem. Dan duikt hij weer achter z’n uitgekauwde dagblad. Nee, hij moet haar niet meer dat is duidelijk. Koffie zetten en eten koken, dát mag ze. Het enige recht dat zij heeft is de keuken, de potten, pannen en het aanrecht. Naar haar kijkt hij niet maar hij loert wel naar alle jonge meiden. Die achterbakse gluiperd, die ouwe gluurder. In het weekend gaat hij met zijn vriend een pilsje pakken. Inmiddels weet zij wel beter. Ondertussen weet ze wat dat betekent: de rosse buurt in, vrouwtjes kijken...
Haar buurvrouw belde haar laatst op: -Wat denk je mop, wie ik laatst op de wallen tegen kom?
Ze moest raden, ze had al zo’n donkerbruin vermoeden.
-Hoe moet ik dat nou weten? vroeg ze zogenaamd argeloos.
-Je eigen mannetjepannetje, je eigenste hartelappie.
Ze verschoot zowat van kleur. Gelukkig dat buurvrouw het niet kon zien.
-Ja-ha, ik kwam van de Bijenkorf en stak dwars over de wallen via de Stoofsteeg naar de Nieuwmarkt waar ik hem naar binnen zag gaan. Ik wist nou niet of ik het je moest vertellen maar de eerlijkheid gebiedt mij... zei ze met valse ondertoon.
Het doet voor haar de deur dicht maar ze zal niets laten blijken. Wat een zakkenwasser. Wat moet ze nu. Zo florissant ziet ze er inderdaad niet meer uit, dat is waar. Ze voelt zich een huissloof. De kinderen zijn de deur uit. Wat is er overgebleven van hun ooit zo oogverblindende en opwindende relatie. Laatst heeft ze nog in de libelle gelezen: zet uw negatieve gevoelens om in positieve energie. Jesus, hoe moet ze dat doen. Met de moed der wanhoop sluipt ze naar de linnenkast. Daar ligt de jarretel van dertig jaar geleden nog praktisch nieuw. Zwarte netnylons, welja. Een lila negligé, weliswaar ook al uit de oude doos maar wat maakt dat uit. Dit niemendalletje is tijdloos. Eerst even een slok brandewijn. Ze kleedt zich om en doft zich op. Zwikken doet ze op haar stilettohakken maar dat is een kwestie van wennen. Nog een brandewijntje, lekker, dat spul brandt behaaglijk in haar mond en voelt ze door haar slokdarm glijden. Ze wordt er helemaal warm van. Ze komt al aardig in de stemming. Is zij dat in die spiegel? Haar rug recht en zelfs die arrogante blik van vroeger. Snel giet ze het restant van de sterke drank naar binnen. Ze struikelt bijna de trap af, ze zal hem leren, ze voelt zich goed, zeker van zichzelf.
Ineens staat ze voor z’n krant. Hij heeft nog niks in de gaten, ha ha, die lul.
-Hier ben ik, zegt ze zonder gêne, je eigen stoephoer.
Zie je wel, hij heeft het niet meer. Ze geniet zienderogen. Ze heeft de situatie volledig in de hand. Het kan haar niets meer schelen wat er zal gebeuren maar één ding is zeker: hij heeft oog, oog voor haar, enkel en alleen voor haar. Nu.
es van essen

thijs

geschreven door Ronald Offerman

Ik heb eens een opmerking gelezen van Gabriel Garcia Márques die zei, dat je als schrijver niet moet schrijven over gevoelige dingen die niet op zijn minst twintig jaar geleden zijn gebeurd. Schrijf je er eerder over dan is het nog veel te dicht bij jezelf. Dan doet het nog teveel pijn en kan je je gevoel nog niet echt los laten dus er niet goed over schrijven. Het meeste wat ik schrijf is redelijk kort geleden gebeurd. Nou wil ik mezelf niet vergelijken met Marqués, ik kan niet in de man zijn schaduw staan wat schrijven betreft, maar ik denk dat hij in sommige gevallen zeker gelijk heeft. Laatst vertelde ik Es dat ik een tijd een hond had gehad. Zij vroeg mij waarom ik daar nooit over schreef. In een enkel gedicht van mij komt hij voor als het zwarte monster die grommend aan zijn ketting trekt en alleen maar blikken chappi lust. Voor echte verhalen is het nog een beetje te pijnlijk. De hond en ik zijn samen onderweg geweest naar Santiago de Compostela. We hebben veel plezier gehad samen en hebben lekker gelopen. In enkele gevallen was ik erg blij dat hij bij me was. Zeker toen er iemand 's nachts onze tent binnenkwam met niet al te goede bedoelingen. Thijs zoals de hond heette heeft de indringer al blaffend de hele camping overgejaagd. Een andere keer toen we sliepen in een hostal stonden er drie man voor mijn bed, één al met mijn rugzak in zijn handen en ook daar deed Thijs alsof hij een vreselijk agressieve vechthond was. Hij oversteeg zichzelf op dat soort momenten want eigenlijk was hij een vreselijk bange schijter. Hij was een kruising tussen een Bordercollie en iets wat behoorlijk groot en zwart behaard geweest moet zijn. Slim, pienter en als hij zin had, kon hij erg goed luisteren en -niet onbelangrijk als je op bedevaart bent-  hij kon lopen als een kieviet. Het verhaal dat ik aan Es vertelde was, dat ik eens oud en nieuw vierde met een aantal mensen en er stond een grote schaal oliebollen op tafel. De aanwezigen gingen om twaalf uur kijken naar het vuurwerk. Thijs was natuurlijk bang voor vuurwerk. Wij stonden voor de deur en elke keer holde hij naar buiten en dan wist hij niet hoe snel hij weer naar binnen moest komen. Schijter, zeiden wij lachend tegen elkaar. Toen we terugkwamen bleek dat alle oliebollen, toch een stuk of vijftien, verdwenen waren. Thijs zat tevreden op zijn vaste stek. Wij waren natuurlijk kwaad. Maar ik was vooral verbaasd dat hij niet hartstikke ziek werd van al die vette bollen. Toen ik 's nachts in mijn bed ging liggen, voelde ik dat er iets onder mijn kussen lag en toen ik keek, bleek dat hij een oliebol verstopt had voor later. Ik vond de volgende dag een oliebol tussen de handoeken en tussen de kussens op de bank lag er ook een. Verstopt achter een pot met planten bij de televisie vond ik er nog een. Toen Thijs de volgende dag een uur voor een dichte kastdeur stond te piepen wisten wij dat hij er daar ook nog enkele verstopt moest hebben. Thijs is dood, denk ik. Dat vind ik rot. Het is nog geen twintig jaar geleden en toch schrijf ik erover. Wat Thijs ook was, hij dacht wel aan de toekomst. In mei vond ik nog een oliebol in een van mijn schoenen die in de kast stonden. Daar had hij al die maanden niet bij gekund.

ziek zijn beter worden

zoals de macrokosmos zich verhoudt
tot microkosmos
zo sta ik ten opzichte van het virus


ik ben een submicroscopische ziekteverwekker
een volmaakt biologische eenheid
zonder celstructuur leidt ik een zelfstandig leven

overleven is mijn credo
mijn capsule bevat erfelijk materiaal
zodat ik in mens en dier kan dringen

dan vangt mijn euforie pas aan
uit de buurt blijven voor de wrattenbijter
die lust mij wel rauw

ik lift mee met mijn gastheer
waar ik mij kwaadaardig verstop
en kom te voorschijn bij het eerste contact

ik hou van de gemeenschap
infectieus dring ik me bij haar naar binnen
en vermenigvuldig me volgaarne

mijn gedrag is als een autokatalysator
zonder mezelf te veranderen
bespoedig ik chemische processen

dan neemt mijn uitbreiding en vermeerdering een aanvang
ik rijp dag na dag, week na week
creëer de fraaiste eeltachtige uitwassen

de verdikte opperhuid laat verlengde huidtepeltjes zien
sommige ogen als vijgwratten
ze groeien uit tot bloemkolen

mijn gastvrouw rent naar de cryotherapeut
daar word ik bevroren, ik lach erom
ik condyloma ben geen kop kleiner te krijgen

mijn grootste overwinning is
de uiteindelijke vernietiging van mijn gastheer
dan pas heb ik rust
dat is het leven, eindeloozzz...

es van essen

J.l. zaterdag voorgedragen in het WGcafé

In het kader van: 'ziek zijn beter worden' was er zaterdagmiddag een dichtersmiddag in het WGcafé op het voormalige WilhelminaGasthuis-terrein. Geïnspireerd door mijn eerder geschreven beschouwingen van een virus verbouwde ik het tot een gedicht. Evenzo het gedicht 'dodelijk' -verliefdheid, een obsessief soort ziekte- bracht ik ten gehore. Vervolgens: chaos kosmos theos

Met voordrachten van:             

Ger Belmer

Es van Essen

Jan Willem van Hamel

Max Leroux

Gerdin Linthorst

Ronald M. Offerman

Dirk Oudshoorn

Martin van de Vijfeijke

Floor Voerman

Bram de Waard

Pom Wolff

Loes Essen

Sander Brouwer

dodelijk

Imagesverliefdheid
het veelbezongen wonder
stokpaardje van menig dichter
tijdelijke verstandsverbijstering
met obsessief gedrag

de hele wereld vergeten
enkel en alleen die ene
ultieme verblinding
nog beter dan god

zweer mij eeuwig trouw
zal sterven zonder jou
claimgedrag en jaloezie

ik ben zeer selectief
niet gauw verliefd
zie altijd weer een haak of oog
van die splinter en de balk
es van essen

breien (deel II)

door Ronald Offerman

In een show van Freek de Jonge heeft hij het erover dat hij als kind zelfgebreide onderbroeken moest dragen. Die werden gemaakt door zijn moeder. De gulpen van die onderbroeken waren afgezet met zestien parelmoerenknoopjes en die dingen zaten volgens hem zo strak dat hij op een gegeven moment twee verschillende bloedsomlopen had. Een onder het elastiek van de onderbroek en een daarboven. De lichaamsdelen bewogen zich geheel onafhankelijk van elkaar. Buiten dat het erg leuk gevonden is van hem,  zat er in mijn jeugd een grote kern van waarheid in. Het enige wat ik, denk ik, niet gedragen heb wat mijn moeder zelf had gebreid dat waren zelfgebreide onderbroeken. Voor de rest heb ik elke willekeurig kledingstuk wat mensenhanden van wol kunnen maken aan mijn lichaam gehad: Mutsen, vesten, truien, sjaals,  handschoenen, lange wollen jassen en zelfs toen ik baby was kun je op enkele foto's van mij zien dat mijn dikke bolle beentjes uit strakke babybroekjes puilen en mijn dikke korte armpjes uit te strak zittende truitjes met knoopjes op de schouder. Het waren vast ook nog afdragertjes van mijn ouders broers of oude truien die waren uitgehaald en weer opnieuw in elkaar gezet. Soms zagen mijn broers en ik eruit als klonen van Maya de Bij, als mijn moeder een goedkoop partijtje wol op de kop had getikt waar ze dan truien met dikke horizontale strepen van had gemaakt. Een andere keer liepen we allemaal met dezelfde blauwe, groene, grijze of andere kleur trui uit een goedkoop partijtje. Als kind had ik er allemaal niet zoveel last van maar toen ik een jaar of twintig was en als mijn moeder dan weer eens vroeg of ik een mouw of een voorpand wilde passen, kreeg ik er toch wel een beetje genoeg van. Zij was er blij mee en ze had altijd wat te doen dus we zeiden maar dat we het nog steeds mooie truien vonden. Mijn moeder is inmiddels 76 en zij heeft al jaren geen breipen meer aangeraakt. Een jaar of drie geleden heeft ze alle pennen en zakken wol, die ze altijd als een soort hamster door het hele huis verzamelde, weggedaan. Verbaasd keken mijn broers en ik naar mijn moeder die we niet anders kenden dan met een paar breipennen onder haar armen. Wij dachten dat ze ziek was of iets dergelijks of dat ze dacht dat ze snel dood zou gaan. Toen wij bezorgd aan haar vroegen wat er was, zei ze dat ze er niets meer aanvond. Ze had al jaren een hekel aan dat breien maar ze was er mee doorgegaan omdat wij het zo leuk vonden.

apocalyps

A_3We liepen langs de haven. De boot naar Vlieland stond klaar voor vertrek. Daar kwam de familie Doorsnee op het laatste nippertje aanzetten: pa, ma en drie koters er achteraan, hard hollend over de loopplank totdat pa ineens besefte dat hij zijn kanariegele tasje met al zijn persoonlijke spullen ergens had laten staan. Pa ging tekeer tegen ma. We konden het letterlijk horen, alsof het haar schuld was. Hij moest terug want al zijn papieren zaten erin, schreeuwde hij. Hij probeerde de bemanningsleden duidelijk te maken dat de boot maar even moest wachten totdat hij zijn tasje had gevonden maar kreeg nul op rekest. De boot zou vertrekken en wel terstond. Onder het nodige gevloek en getier keerde pa terug aan wal. Ma en de kinderen aarzelden en meteen werd de loopplank omhoog gehaald. Het opspattende zeewater gaf pa een koude douche en hij moest met lede ogen aanzien hoe zijn gezin zonder hem naar Vlieland vertrok.
-Die is voorlopig nog niet op de plaats van bestemming, grijnsde Godfried, ik heb wel wat met leedvermaak.
-Ik ben er eerlijk gezegd ook niet vies van, als het maar met stijl is, lachte ik.
We zoefden verder met onze Harley. Bij Sexbierum van de weg af en rechtdoor naar het wad. Ik zette de motor uit en we stapten af. Wat een stilte, wat een weidsheid en geen mens te bekennen. Op de dijk stonden wat schapen ons nogal schaapachtig aan te staren: bèèèèèhhh, mekkerden ze. Het was eb en de slikken waren zichtbaar met daaronder een paar miljoen kokkels, voor ons oog verloren. We liepen de dijk af en wandelden over het net droge land. Ik plukte wat zeekraal, lekker voor bij het avondeten.
Godfried tuurde de horizon af en zei: -Ik ga even een boeketje voor je samenstellen, en weg was hij.
Ik ging in het zonnetje liggen, dommelde in en droomde dat ik in een vuurtoren woonde.
...Ik kijk uit over zee, een magnifiek vergezicht over het wad. Het is vloed en het rustige water weerspiegelt de volle maan als een glanzende streep. De zilveren schijn hypnotiseert me zoals gewoonlijk en ik mijmer wat weg. Rondom mij staat het vol bloemen. Hoe kan ik nou zoveel bloemen binnenshuis verzameld hebben, denk ik, die dingen laat ik toch liever in de natuur staan. Het bloemenveld breidt zich uit. Ineens staan er anemonen en lelies in zee. Het fluitenkruid schiet omhoog. Radijzen zo groot als meloenen, pompoenen alom en het riet staat manshoog. Ik zie een oude eik, een stevige knotwilg en een rijzige es waarin een papegaai zit. Hij heeft de es, die de vorm van een pentagram heeft, uitgezocht als klimboom en hij eet tuinbonen. Ik zie dat hij de bonen pelt om de bittere smaak er vanaf te krijgen. De zee maakt danspasjes rondom dit eldorado. Dan vindt er een metamorfose plaats. Het water trekt weg en komt met gezwinde spoed weer terug. Eb en vloed wisselen elkaar af in een minimum van tijd. Jan-van-genten, zeemeeuwen en albatrossen krijsen hun hoogste lied. Een school haringen zwemt voorbij. Zij zwaaien tot mijn grote verwondering met hun staarten alsof ze me groeten. Ze springen omhoog en maken een salto in de lucht om vervolgens met veel kabaal terug te plonzen in het inmiddels woeste water. Er is er een die z’n tong naar me uitsteekt. Plots steekt er een storm op die allengs heviger wordt. Visnetten raken verstrikt in het zich neerbuigende riet en de winde woekert razendsnel door het struikgewas. Golven beuken tegen de vuurtoren en de rabarber boort zich als een heipaal door de deur. De es en de knotwilg buigen zich naar elkaar en fluisteren: daar gaan we dan. In de verte zie ik de alarmsignalen van een schip in nood. Vette zeepalingen vluchten sissend weg. Vogels veranderen van kleur of transformeren zich in vleermuizen. Loerend naar de vissen, krassen de kauwen en kraaien elkander toe in hun duistere taal.
-Kra kra... jij houdt van hoekig hè.
-Jazeker, maar rondingen zijn ook niet te versmaden.
-De zee geeft de zee neemt, roept de raaf. Een oude uil, horend doof en ziende blind zucht slechts.
Voor mijn beslagen vensterraam staat een zeearend die mij gebaart op zijn rug te gaan zitten. Door het grote tumult en watergeweld heen kan ik nog net horen hoe hij me toesnerpt: -Jij waterman, met jou is het water naar de zee dragen.
Ik hou me vast aan z’n lange verentooi, blij met zoveel erbarmen en we stijgen op. Ik hoor een jammerlijk gekraak en als ik omkijk, zie ik nog net hoe een vloedgolf mijn vuurtoren verzwolgen heeft. Een feeëriek lichtschijnsel kleurt de hemel. Dit is het laatste oordeel, flitst het door mij heen...
Ik voelde een hand op mijn hoofd en een stem die fluisterde: -Wakker worden.
Nat tot op mijn haarwortels schoot ik overeind. Wat was dit voor archetypische voorstelling. De oerbeelden die zich in vorm hadden uitgedrukt bleven op mijn netvlies natrillen. Ik opende mijn ogen en keek recht in de groene ogen van Godfried. Hij stond over me heengebogen met een hand op zijn rug.
-Voor jou, zei hij met een kinderlijk enthousiasme en toverde een boeket te voorschijn.
Een combinatie van allerlei kleuren uitgeplozen touw afkomstig van visnetten en schepen, dun wrakhout, veren, verdroogde halmen en alles wat aangespoeld en bruikbaar was kunstig samengebonden. Het was het mooiste boeket dat ik ooit gezien had. Ik liet hem merken dat ik zeer vereerd was met deze subtiliteit. Voor mij was dit ware romantiek.
Het verschil tussen droom en werkelijkheid was helder.
De zee geeft de zee neemt, had de raaf geroepen. De zee neemt de zee geeft, dacht ik.
es van essen

Zeearend_j